Town Planning

De Herstelvordering tussen Hamer en Aambeeld

Op 27 november 2007 velde het Europese Hof voor de Rechten van de Mens een arrest waarvan de gevolgen binnen de stedenbouwhandhaving verregaand kunnen zijn.

Het arrest
De zaak betreft een weekendverbijf in Zutendaal dat geërfd werd door Mevrouw Hamer. Ze renoveerde de in bosgebied gelegen woonst dat zonder vergunning werd opgetrokken. Over het tijdstip van het bouwen van de woonst bestaat onduidelijkheid: de administratie spreekt over het jaar 1973, terwijl volgens de eigenares de oprichting gebeurde in 1962.
Pas in 1994 werden bij proces – verbaal inbreuken vastgesteld op onder meer de stedenbouwkundige reglementering. In 1998 wordt een proces – verbaal opgesteld dat de wederrechtelijke situatie bevestigt. Het misdrijf wordt vervolgd en komt voor de correctionele rechtbank van Tongeren die oordeelt dat het misdrijf zevenentwintig jaar na de feiten niet meer kan bestraft worden en verklaart zich onbevoegd om zich uit te spreken over de voorliggende herstelvordering. In hoger beroep wordt door het Hof van Beroep van Antwerpen geen strafrechtelijke sanctie opgelegd, maar wordt de eigenares wel veroordeeld tot herstel in de oorspronkelijke staat, zijnde afbraak in casu. Het Hof van Cassatie verwerpt op 7 januari 2003 het beroep tegen het arrest van het Antwerpse Hof van Beroep en stelt dat het herstel in de oorspronkelijke staat geen straf is, maar een burgerlijke maatregel verbonden aan de strafvordering. Dit betekent dus dat de bescherming van artikel 6 van het EVRM dat recht biedt op een eerlijk proces binnen een redelijke termijn niet kan worden ingeroepen met betrekking tot de herstelvordering. Het weekendverblijf werd gedwongen afgebroken in juli 2004.
De eigenares laat het hier niet bij en trekt naar het Europese Hof voor de Rechten van de Mens. Ze argumenteert opnieuw dat de redelijke termijn, gewaarborgd door artikel 6 EVRM, is geschonden. Ze poogt ook aan te tonen dat ze gediscrimineerd wordt, want volgens haar liggen in hetzelfde bos nog vier andere huizen zonder vergunning die nooit het voorwerp werden van vervolging. Ook schendingen van het recht op eigendom (artikel 1 Protocol 1) en het recht op privé – en familieleven voorzien in artikel 8 van het EVRM.
Enkel op haar eerste argument lijkt het Hof de verzoekster te volgen. Het Hof wijst er op dat zelfs al zou de herstelvordering een burgerlijke maatregel zijn, dan nog moet voldaan worden aan de voorwaarde van een uitspraak binnen een redelijke termijn. Op basis van de autonome interpretatie van het begrip ‘straf’ ex artikel 6 EVRM duidt het Hof aan dat het op grond van drie criteria onderzoekt of een maatregel als straf kan worden beschouwd, zijnde de classificatie van de inbreuk in het nationale recht, de aard van de inbreuk en de ernst en aard van de sanctie die verbonden wordt aan de inbreuk. Op basis van deze criteria besluit het Hof dat een herstelmaatregel tot afbraak weldegelijk als straf kan worden beschouwd en dus ook de redelijke termijn omschreven door artikel 6 EVRM moet worden gerespecteerd. Het Hof veroordeelt de Belgische staat en kent een schadevergoeding toe aan de verzoekster.


De gevolgen?
Hoewel de herstelmaatregel voor vele burgers weldegelijk als straf wordt ervaren, werd in de doctrine en rechtspraak overwegend geponeerd dat een herstelmaatregel niet als straf kan worden beschouwd. De figuur van de herstelmaatregel bevindt zich op het kruispunt van de strafvordering en het burgerlijk procesrecht. De herstelmaatregel werd ook door onze hogere rechtbanken beschouwd als een maatregel van burgerlijke aard. Een bijzondere vorm van teruggave die gewoonlijk als aanvulling van de strafrechtelijke veroordeling door de strafrechter wordt bevolen, maar ook voor de burgerlijke rechtbank kan gevorderd worden. Er kan dus nog steeds een herstelvordering worden opgelegd, zelfs al is de strafrechtelijke vordering verjaard of wordt er door het parket niet vervolgd.
Het is moeilijk te voorspellen wat de invloed van deze rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens precies zal zijn, al lijkt het mijns inziens wel een kleine bom in onze reglementering inzake stedenbouwhandhaving.
Het burgerrechtelijk karakter van de herstelmaatregel zorgde er immers voor dat de beklaagde de bescherming van de algemene beginselen in het strafrecht, zoals het legaliteitsbeginsel of gunstmaatregelen zoals een veroordeling met uitstel of een opschorting van de uitspraak, verloor. Ook het genaderecht van de Koning voorzien in artikel 110 van de Gecoördineerde Grondwet waarbij de Koning het recht heeft de door de rechters uitgesproken straffen kwijt te schelden of te verminderen kon eveneens niet worden toegepast op de bevolen herstelmaatregel. Uiteraard zal nu ook met de redelijke termijn rekening moeten worden gehouden.
Hoe moet het nu verder met de verjaring? Verjaart de herstelvordering nu toch op hetzelfde moment als de strafvordering? En wat met de vordering tot herstel ex artikel 151 DRO voor de burgerlijke rechtbank? Kan dit nog als de herstelvordering als een straf moet worden gekwalificeerd? En wat met de reeds meermaals bekritiseerde Hoge Raad voor het Herstelbeleid? Kan deze nog legitiem functioneren als de herstelvordering als straf moet worden beschouwd?
Laat duidelijk zijn dat dit arrest heel wat stof kan doen opwaaien. De vraag blijft natuurlijk ook of het Europese Hof alle herstelmaatregelen als straf wil beschouwen met dit arrest. Het blijkt immers dat het spreekt over ‘cette mésure de démolition’. Moeten we dit beperkend interpreteren en er dus van uitgaan dat enkel het herstel in oorspronkelijke staat als straf wordt beschouwd? Want via de autonome interpretatie van het begrip ‘straf’ ex artikel 6 van het EVRM is het Hof er in theorie toe in staat de herstelvorderingen individueel te gaan toetsen aan de criteria om ertoe te besluiten of er al dan niet sprake is van een straf. Toch lijkt ook deze beperkende interpretatie niet bevorderlijk om de zaken eenvoudiger te maken.
Het wordt vol ongeduld uitkijken hoe de rechtspractici en rechtbanken met deze rechtspraak zullen omgaan.


Bram Vandromme